Een barst is geen breuk

Vakantie beoefenen is geen evidentie, niet voor de politieke prota- en antagonisten in Het Dal  maar evenmin voor mezelf en mijn geliefde. Aangekomen op het Griekse schiereiland bleek de charme van het White Castle hotel danig beperkt. Dat het beloofde tweepersoonsbed gesplitst bleek, het was nog niet half zo problematisch als BHV. En tegen de staalharde matrassen zou de ruggegraat van de formateur vast bestand zijn, wat zou de onze dan klagen?. Dat het ontbijt en het diner zeer karig uitvielen, ach, er zijn nog kastelen waar het eten initieel tegenvalt; hoewel, hier waren geen liberalen om daar iets aan te verhelpen. En hadden de zevenennegentig trappen naar de kamer iets te betekenen in vergelijking met de calvarie van de CD&V-onderhandelaars? Maar de deur van de koelkast die niet goed sloot, waardoor het apparaat de werking van de airco geheel compenseerde, ja dat zou zelfs Joëlle Milquet op andere gedachten brengen.

Wij klommen dus na drie dagen richting Hotel Achaios vlakbij, waar ons een zacht dubbelbed en een ruim buffet wachtte. Het voelde als een mini-regeerakkoord. Ongetwijfeld nog nadelirerend miste L. de volgende ochtend enkele treden nabij het zwembad en dat deed niet het land maar zowel haar linkerknieschijf als haar rechterelleboog barsten. Tegen de middag waren de schaafwonden vergeten, maar klopten de betrokken skeletonderdelen met dusdanige aandrang op haar gemoed, dat een bezoek aan het lokale hospitaal zich onverwijld opdrong. Het bleek een veredelde infirmerie, waar men de röntgenfoto’s niet echt wist te interpreteren. Maar in het nabije Patras zou een werkgroep van orthopedisten en radiologen ongetwijfeld raad weten!

Ik bespaar u de scènes in het duidelijk openbare Agios Andreas-ziekenhuis (‘t Singt Andries Ospetaul zouden we in Antwerpen zeggen), waar niemand Engels sprak en L. met tot aan de nieren opengescheurde jurk rondhinkte. Ik zwijg over de blinde in het schemerige kantoortje, die niet wist waar er toiletpapier te vinden was. Niet het vermelden waard is het gekerm door de halfopen deuren van patiënten in behandeling. Of de uiteindelijk gevonden arts met een pakje sigaretten in zijn witte jas, die haar meteen voor drie weken twee gipsverbanden aanmat en ons een papierke toestopte dat veel later een voorschrift bleek te zijn voor antitrombose-injecties. Betalen was niet nodig, de sociale zekerheid splitsen is daar duidelijk geen punt. Gelukkig hield ik de hele tijd de lijn open met mijn broer, die dan wel chirurg is, maar dat valt nog altijd te verkiezen boven een Griekse orthopedist, nietwaar? Nu, langs de andere kant, zolang er niet gesneden moet worden, is er voor hem weinig om je zorgen over te maken…

Terug in het hotel werd L. zo’n beetje een wandelende of liever wankelende anti-reclame voor het hotel. En toen de dag erna een virus mij en de helft van de gasten een dag lamlegde met koorts en gebraak, kreeg ook mijn humeur het kwaad. En wat leest een mens dan bij Pirandello? “Vaak heeft het lot er niet genoeg aan een arme kerel te vervolgen tot het hem het leven onmogelijk heeft gemaakt; het wil ook nog op elke streek die het hem levert iets als een zegel van hoon drukken.”

Is dat nu geen gedachte die de formateur moet doen kunnen glimlachen?

Een groet van een zonder verdere mankementen toch thuisgekomen

Karel