Kamer 7

Natuurlijk kreeg ze haar potlood terug, en nog veel meer ook. Hans Castorp zette zijn papieren feestmuts af en legde die op het witmetalen bed. Clawdia spinde en deed haar kirgiezenogen oplichten. Een roodblonde tsarina, sloom spelend met haar zweepje.
‘Je te croyais trop bleu pour moi,’ zei ze.
De spotvogel, straks zou ze wel anders piepen. Zij had het gewenst, nee, gewild. In deze nacht op vastenavond zou het gebeuren.
Ze pakte zijn schouders vast en hij boog voorover, duizelig en met een bonkend hart. Ze ging op haar tenen staan. Haar tong. Dat tongetje. Die lippen. Dit was niet de mond van een ziekelijk wezen in een herstellingsoord. Ze deed gewoon alsof.
Hij kreeg te weinig adem. Het bed, wat moet ik doen. De deur van haar kamer is niet op slot. Zeg iets, ze moet iets zeggen.
Ze trok zijn gesteven hemd uit en in een woedende vlaag stroopte hij de mouwloze jurk van haar lijf. Een hond, het profiel van een windhondenlijf in pikzwarte inkt onder haar borst. Zijn handen bewogen vanzelf. De flakkering van gestolde witte vlammetjes op haar heupen. Ze duwde zijn broek naar omlaag. Hij liet zich achterover op het bed vallen. Omhoog kijken, adem na adem, het plafond was ver. Hij werkte zich verder achteruit op het matras.
En daar was ze al, helemaal van kop tot teen. Hij kreeg zijn ogen niet los van die langgerekte hond.
Het gebeurde. Hij was verlamd. Ze deed hem naar binnen glijden, ze werkte met haar heupen. Hij moest stoten, zo hard hij kon. De geile fee van de alpenbron had het bevolen. Ze danste voor zijn ogen in de sneeuw, een blauwe dame met brede jukbeenderen. Vervolgens kwam de tsarina, in een overvloed aan krullen, ook daar. Ze gooide het hoofd in de nek en lachte geluidloos. Hij was een ruiter. Chargeren moest hij, de sabel gestrekt vooruit. Hij kneep zijn ogen dicht. Clawdia was weg, ze bestond alleen nog uit dat ene waarin hij verdween. Zijn handen waren er niet meer, zijn benen. Hij was enkel daar, heet, aan de binnenkant van haar lichaam. Hij werd bang en razend tegelijk, steeds razender en steeds banger. En toen verscheen hem een jongen. Het was Hippe. Hun ontmoeting op het schoolplein, zo lang geleden. Het lijdelijk mooie gelaat van Hippe, zijn smalle ogen die hij nu richtte op een langwerpig ding dat hem in de hand lag. Een monstrueus potlood, slijpschilfers kronkelden zich als serpentines weg van de priemende punt. De roodgekleurde stift kwam trillend tot leven. Hippe klopte zich ermee op de borst, keer op keer. Zijn mond was wijd opengesperd. Hij probeerde te hoesten. Het lukte niet.
Hans Castorp versplinterde. Een kreet ontsnapte hem, hij hoorde ze. Het klonk als iemand anders – een waanzinnige. Alles wat hij in zich had, echt alles steeg op in een woeste golf, die meteen over de kop ging. Clawdia bleef doorgaan. Ze stootte harder dan hij daarnet. Haar hand lag op zijn keel, ze hielp zichzelf met de andere. De windhondteef ging over in volle galop. Terwijl haar greep almaar vaster werd, kreeg de kamer opnieuw vorm, eerst langzaam en dan met een klap, als een deur rinkelend dichtgeslagen door de tocht. De aanblik van Clawdia boven op hem, opgespannen en in zichzelf gekeerd. Hij kreeg geen lucht meer. Haar nagels, ze moet stoppen. Hij stikte. Zijn bewustzijn begon te bonzen.
Hans Castorp trok haar hand weg. Clawdia verloor het evenwicht en viel met haar gezicht op het zijne. Ze rolde van hem af.
Met gekromde rug ging ze op handen en knieën zitten, de blik op het matras gericht. Hij luisterde naar haar ademhaling. Zijn hoofd was helemaal leeg.
Zonder hem aan te kijken stond ze op en trok wat kleren aan. Haar naaktheid verdween. Minder dan een minuut geleden, in een vertraging van de tijd, hadden ze alles gedaan. Nu scheen het alsof zij iemand was die hij niet kende.
Hans Castorp keek de kamer rond. Haar ontbijtjurk hing aan de buitenkant van de kleerkast. Een deur die uitgaf op het balkon. De ruime wasbak met nikkelen kraanwerk tegenover het bed, het linoleum op de vloer. Net zoals bij hem, op kamer vierendertig.
Daar, vlakbij op de commode zag hij het staan. Een zilver omlijst glazen plaatje dat het inwendige portret van Clawdia’s borstkas toonde. Teer gebeente beschaduwd met de organen, spookachtig omgeven door haar verrukkelijke vormen. Dit lichtbeeld kon het zijne worden. Het zou hem vergezellen. De betoverde berg naar beneden, tot in het laagland van zijn koorts. Hans Castorp stak zijn hand uit.