Ogen van de toekomst

Bocht na bocht blijft de weg naar het Sint-Victorinstituut dalen. Hier is Vlaams-Brabant even rijk als heuvelachtig. Ik wandel door de brede poort heen naar de ingang van de leraarskamer, via een modderig stukje tuin met wat bomen. De scholieren hebben het druk tijdens de middagpauze.

“En ik zei, j’adore tout ça, copain gij weet.”

In deze middelbare school zijn ook de leerkrachten jong. Ze zitten aan vierkanten van bij elkaar geschoven tafels en iemand is lunchbrood aan het eten uit aluminiumfolie. Ik besef hoezeer mijn nachtblauwe pak afsteekt tegen hun vrijetijdskleding. De begeleidster heeft een mooie bleke huid en een aparte naam, die in het Fries zorgzaam en eigenwijs betekent. Ze draagt een zwarte broek. Goede benen ook, merk ik op de trap. We lopen drie grote, op elkaar aansluitende lokalen voorbij. De laatste klas werd voor mij gereserveerd, een ruimte zo banaal dat lelijkheid geen punt meer is. Er staan tafels met hun lange kant tegen de zijwanden opgesteld. Een dertigtal leerlingen zit in groepjes van twee of meer bij elkaar. Sommigen op een stoel alleen. De eerste rijen blijven leeg.

Een magere jongen komt te laat, schutterig, tweemaal. De klas lacht. Hij had zich dan toch niet vergist, dit was inderdaad zijn les over studiekeuzes maken. Bijna twee uur lang zit ik afwisselend op de rand van een tafel vooraan en wandel ik tussen de leerlingen door, ondertussen vertellend hoe ik geworden ben wie ik al was. Dat het lang kan duren, zeg ik, voor je erachter komt. Dat je moet doorleren over wat je het allerfijnste vindt. En dat je helemaal niets moet. Dat mag ook, als je durft. Sommigen onder ons zijn geboren ondernemers of geboren weet-ik-veels. Die hebben geluk. Alle anderen zoeken best een baan die je desgevallend gratis zou willen doen, zeg ik. Iemand wil weten of je ook voor de overheid mag werken. Een andere jongen vraagt wat je moet doen als iemand op zijn vijfenvijftigste wordt afgedankt.

Meestal zit ik vanop mijn tafelrand te praten. Ze zien er goed uit, die jongens en meisjes van achttien. Ze zijn nieuwsgierig en een beetje onzeker. Alles kan nog. Ze gaan het maken, heus. We hebben het over kinderen krijgen. Zo vroeg mogelijk, zeg ik plagerig. Mijn begeleidster haakt in en de klas reageert vrolijk, afkeurend en een tikje verontrust. Een meisje met kastanjebruine haren dat vlak voor me zit plaatst beide handen op haar buik. Ik merk dat ze met grote ogen “no way” zegt tegen haar vriendin. Ze wil dat ik heel precies uitleg wat ik doe. Wanneer ik later een foto van de klas neem, kijkt ze recht in de lens. Haar gelaat licht op, net als de rode capuchon onder haar winterjas. Die mond en haar donkerbruine ogen had ik eerder al zitten bekijken. Ze ziet eruit alsof ze weet wat er te koop is. Nu al.

“Hij daar,” wijst iemand wanneer ik aan het einde van de les vraag wie legerofficier wil worden, net als ik destijds. Helemaal achteraan in een hoekje zit hij. Een jongen die me nu pas opvalt. Zijn klasgenoten pakken hun spullen bij elkaar en verlaten met veel rumoer het lokaal. Zonder een woord of een blik loopt hij langs me heen. Zijn haren zijn heel kort geknipt.