Vriend, broeder en geliefde

Een impressie van het zweefvliegkamp

Zweefvliegclub De Wouw, 6 – 17 juli 2015

gepubliceerd in het clubblad Cumulus 

 

“What is it, Major Lawrence, that attracts you personally to the desert?” vraagt de journalist.

De schaduw is weldadig. Lawrence zit in een spierwitte kaftan op de treeplank van zijn auto, ontspannen leunend tegen het houten spatbord. Hij is bruingebrand en in zijn blonde haren zit brillantine. Het blauw van zijn ogen schittert.

“It’s clean,” antwoordt hij.

“Well, now, that’s a very illuminating answer,” zegt de journalist.

De scène uit Lawrence of Arabia komt me voor de geest wanneer ik me afvraag wat het precies is dat piloten zo aantrekt in de zweefvlucht. Het is de leegte noch de rust of de zuiverheid daarboven. Nu pas weet ik het. Orde vinden in de heksenketel van de lucht. Er lijnen van sereniteit in trekken. Je moet voelen, inschatten en vooruitzien. Want de lucht is nukkig als een minnares. Wie zich onderwerpt aan haar grillen zal triomferen. Wie haar te ruw bejegent richt zij te gronde. Bestijg haar behoedzaam in cirkels. Ze zal je optillen naar de wolken om er uren in extase door te brengen. De jaloezie van de wind ligt eeuwig op de loer. Zweefpiloten weten dat. Ze zijn voorzichtig. Ze zijn nederig. Het geeft hen die innerlijke rust waar de lucht zo van houdt. Zij zijn de Bedoeïenen van de hemelboog. Kennis die generaties overspant, hun vliegtuigen gestroomlijnd volgens de wetten van de natuur. Zelfs aan de grond, gekanteld op een vleugeltip, behouden ze hun elegantie. We duwen ze naar de startbaan en lijnen ze op, wit en licht. Gulzig klappen de cockpits open, het sleepvliegtuig laat ongeduldig razend zijn kont zien. Met een kabel worden we aan elkaar vastgemaakt. Onze duim gaat omhoog. Wij zullen dansen.

De propellor versnelt, ons hoofdwiel begint te rollen. Dertig meter en we hebben het contact met de grond verbroken. Ook de sleper stijgt op. We leveren strijd om in zijn spoor te blijven. De bevrijding wanneer de kabel van ons weg fladdert en we onze eigen weg mogen gaan. Een bocht naar rechts. De lucht die rond de cockpit stroomt. Het toestel zweeft suizend rechtdoor, kilometers lang als het moet. Van hieruit lijkt de wereld vanzelfsprekend. Alles is kaarsrecht of elegant gekromd. Het landschap is onschuldig. Huizen, wegen, fabrieken, loodsen, waterbekkens, akkers, parken en tuinen, de kanalen, hoogspanningslijnen, zelfs de voetbalvelden en kerkhoven liggen kalm op hun plek. We kijken om ons heen. De hoogmoed om zich te verheffen kampt met de wil om de zwaartekracht te verschalken. Bellen van opstijgende lucht duwen ons weg. We zetten door. Wij willen hoger. Beneden wacht men geduldig op onze komst.

De terugkeer aanvatten is een mengsel van verademing en spijt die overgaat in hoop wanneer we ons op de as van de landingsbaan richten. Hoe dichter we de grond naderen hoe groter het verlangen. Wanneer het toestel uitrolt is de vlucht een zoete herinnering.

Het vliegbedrijf duurt de hele namiddag. Verkoeling is schaars en de caravan onherbergzaam. Een aanhangwagentje is omgebouwd tot tribune met drie overdekte zitplaatsen. Daar worden de vluchten geboekt. Er staan klapstoeltjes en iemand heeft een matras neergelegd. Er zijn jongens. Ze hebben de lucht bekend nog voor hun eerste vrouw. In hun toestel zijn ze een man. Meisjes van zestien gespen zich vast. Hun oogopslag is nu nog onzeker. Binnenkort overvleugelen ze hun vriendjes.

De zon heeft ons van lieverlede doen smelten. Nu glijdt haar licht minzaam over de toestellen. We rollen ze allemaal binnen. Voorzichtig worden hun rompen geschrankt en hun vleugels vastgezet. Vanochtend hebben we hen liefdevol gepoetst. Met zachte doeken de perfecte kromming van de aanvalsboorden volgen, de scherpe randen van het richtingsroer, het trotse kielvlak. Ze zijn onze houvast, ze verdienen elke dag opnieuw een omhelzing. We praten over hen als een vriend, een broeder, een geliefde. Zonder hen zijn we niets. Terwijl we drinken aan de bar vertellen we hoe het ons verging. Doorwinterde piloten zijn opgetrokken uit verhalen. De noodsituaties, ontmoetingen met het toeval hoog langs bergflanken of gevaarlijk dicht bij de onverbiddelijke grond. We luisteren aandachtig. De lucht hangt warm en stil boven het vliegveld. Sinds de ochtendbriefing zijn meer dan tien uur verstreken. Ik sta buiten en kijk om me heen. Een golvende grasvlakte, daar beneden liggen de startbanen. De dag rolt zich voor mijn ogen af. Is mijn hart groot genoeg voor het luchtruim?