Tonny

29/10/2014

onderstaande tekst maakt deel uit van een ongepubliceerde epiloog voor Onder druk (2014)

Antonia neemt een kartonnen mapje uit haar tas en haalt er een glanzende brochure uit. Franz Langschwert neemt ze voorzichtig in ontvangst, bekijkt de kaft en legt het boekje bedachtzaam op tafel, tussen hen beide in.
‘Mooi, heel mooi’, zegt hij. ‘Maar de Gratiën is helemaal niet evident. We hebben ze in bruikleen van de Hermitage. En je moet begrijpen, ze wegen een ton. Bovendien is het marmer kwetsbaar. We durven er zelf nauwelijks aan te komen. En dan nog, je opdrachtgever is geen museum, dat ligt echt moeilijk hoor.’
‘Moeilijk gaat toch ook?’
Langschwert zucht, secondenlang. Hij kijkt links en rechts naar de kostbare tapisserie op de parketstroken en naar het kapitale plafond in zijn kantoor.
‘Tonny, het kan niet. Echt, ik slaag er nooit in om mijn bestuurders te overtuigen. Je weet dat je daar niet alleen vrienden hebt.’
‘Sta het toe, Franz. Doe het voor mij. Het wordt een unieke tentoonstelling.’
‘Ik krijg het nooit voor elkaar, Tonny.’
‘Je weet dat geld geen probleem is voor de bank.’
Hij aarzelt en kijkt haar aan. ‘Als ze het nu eens rechtstreeks aan de bestuursvoorzitter zouden vragen’, begint hij. ‘Misschien lukt het dan wel.’
Antonia strijkt haar rok vlak met de palm van haar handen. ‘Ze hebben mij gevraagd om de contacten te leggen.’
‘Tonny, wat er toen met Reichebner gebeurd is… Al die commotie.’ Hij zucht opnieuw. ‘Je ligt moeilijk hier in huis.’
‘Ik begrijp het.’ Ze staat meteen op. Ook Langschwert komt overeind.
‘Ik ga mijn uiterste best doen’, zegt hij. ‘Ik zal zien wat ik kan doen.’
Langschwert begeleidt haar tot op de gang. Houterig schudden ze elkaar de hand.
Antonia keert terug naar de traphal. De kou valt gewichtloos op haar schouders. Bij de onthaal koopt ze een kaartje en wandelt het museum in. Keer op keer doen de kunstwerken haar gemoed zweven; naar iets hogers, iets mooiers, iets beters. Ze passeert de middeleeuwse meesters, de renaissancisten, de barokschilders. De zaalwachters knikken haar vriendelijk en respectvol toe. Zie je wel, denkt ze, de mensen houden nog van mij. Ik had gemakkelijk een tweede termijn kunnen winnen.
In het centrum van een lange kamer staan kleinere marmers opgesteld. Dit was Nico’s lievelingsplek. Het is alsof ze zijn stem hoort: ‘Canova heeft de schoonheid van hun lichaam afgeschermd van de tijd. Hij heeft die ene, ideale seconde bewaard.’
Ze hoort haar hart kloppen. Niet zoals na haar beëdiging in het parlement, niet zoals in de bibliotheek tijdens het feest, of op die avond in het Sirkus, maar zoals nu: van voldoening, van vervulling en van verwachting.